de Kerk en de Joden

  • In de Middeleeuwen nam de paus traditioneel op de dag van zijn kroning de eerbewijzen in ontvangst van de Joodse gemeenschap in Rome. Het was gebruikelijk dat hij dan het antwoord gaf: “Legum probo, sed improbo gentium” : “Ik keur de Wet goed, maar het volk keur ik af.”
  • Toen het later gebruikelijk werd dat de Romeinse rabbi’s een sierexemplaar van de Pentateuch aanboden, was het vaste antwoord: “Confirmamus sed non consentimus”: “Wij keuren het goed, maar stemmen er niet mee in.”
  • Deze voorbeelden geven iets weer van de gebruikelijke opstelling van pausen en kerkvorsten tegenover de Joden. Enerzijds handhaafden zij aan de wenselijkheid en de traditionele eerbewijzen van de Joden als bevestiging van hun lagere en ondergeschikte positie. Anderzijds uitten zij hun afkeuring voor hun geloof en hun ras.
  • Sinds keizer Justinianus waren de Joden in Rome als inferieur ras altijd met achterdocht bekeken en waren zij zorgvuldig buiten belangrijke functies gehouden. Zij mochten geen bestuurlijke functies vervullen; bij wet was vastgelegd dat dit verbod tot in eeuwigheid zou gelden.
  • Overal in het christendom werden de Joden door het kerkelijk gezag met strakke hand geweerd uit de christelijke gemeenschap. In Frankrijk waren strenge regels van kracht waarbij het christenen verboden was met Joden te trouwen en waarbij het Joden verboden werd het ambt van rechter uit te oefenen.
  • Vanaf het begin van de 13e eeuw legden de pausen nauwkeurig de maatregelen vast die later gebruikt werden als het uitgangspunt voor pauselijk handelen. Enerzijds werden zij gescheiden gehouden van christenen (door een speciaal onderscheidingsteken, door een verbod op publieke functies); anderzijds mocht geen druk op hen worden uitgeoefend om zich te bekeren tot het katholieke geloof.
  • De aanvankelijk tolerant toepaste wetten tegen de Joden werden aangescherpt toen het toenemende succes van o.a. kabbalistiek de angst deed toenemen dat de omgang met Joden een bedreiging was voor christenen. Dit keert steeds terug in pauselijke documenten, en wordt aangeduid met de betiteling “Impia judaeorum perfidia” .
  • Honorius III (7 november 1217): Sicut judaeis non debet esse licentia; in deze bul wordt verboden Joden te dwingen tot de doop, of hen te molesteren.
  • 29 april, 1221: Ad nostram noveritis audientiam, waarbij Joden verplicht worden tot het dragen van een onderscheidend teken en waarbij hen verboden wordt publieke functies te vervullen.
  • Gregorius IX, 5 maart 1233: Sufficere debuerat perfidioe judaeorum perfidia, waarbij het Joden verboden wordt christenen in dienst te hebben.
  • In zijn bul Impia judeorum Perfidia van 1244 geeft paus Innocentius IV de Franse Koning Lodewijk IX opdracht tot het verbranden van de Talmoed, en spreekt hij een zwaar interdict uit over het lezen of onderwijzen van de Talmoed. Het wordt Joden verboden christenen als min te hebben.
  • Clemens IV, 26 juli 1267 Turbato corde, waarbij het christenen verboden wordt zich te bekeren tot het Judaïsme.
  • In de bul “Dundum ad nostram audientiam” van 8 augustus 1442 gaf paus Eugenius IV de opdracht tot de strikte scheiding van Joden en christenen. Feitelijk betekende dat het instellen van het getto. Artikel 8 van de bul zegt: ”Inter christianos non habitent sed infra certum viculum seu locum a christianis separati et segregati, extra quem mullatenus mansiones habere valeant, inter se degnant.”