de intocht in Jeruzalem

Responsive image

17 maart 1229            Frederiks intocht in Jeruzalem

 Het was een historisch moment toen Frederik op de ochtend van 17 maart 1229 vanuit Jaffa op weg ging naar het 50 kilometer verderop gelegen Jeruzalem. Als eerste vorst sinds Godfried van Bouillon (1099), en als eerste keizer sinds Heraclius (629), zou hij de Heilige Stad voor het christendom in bezit nemen. Toch heerste er een bedrukte sfeer in de stoet die vanaf de kust het binnenland introk.

De verhoudingen tussen enerzijds de keizerlijke troepen en de ridders van de Duitse Orde en anderzijds de Tempeliers en de ridders van de Hospitaalorde waren al wekenlang gespannen. Er was grote verdeeldheid over het verdrag dat met de sultan was gesloten. Voor de ridders en de andere vechtersbazen, die hadden toegeleefd naar een gewapende strijd, en gehoopt hadden op een rijke krijgsbuit, was het onbevredigend dat het verdrag zonder enige strijd tot stand was gekomen. Vooral bij de Tempeliers en de Hospitaalridders bestond er bovendien wrevel over de eigenzinnigheid van de keizer. Zij vonden het al moeilijk te verkroppen dat er überhaupt met ongelovigen werd onderhandeld. Maar de keizer had daarover vrijwel alleen met de Duitse Orde overlegd, en de andere Ordemeesters nauwelijks bij de besprekingen betrokken. Dat had hen diep beledigd. Tegen hun advies in, had de keizer zelfs Gerold van Lausanne, de patriarch van Jeruzalem, niet geraadpleegd.

Die was daardoor zo beledigd dat hij niets meer wilde weten van het verdrag. In een brief aan het christendom had hij het verdrag over de teruggave van de Heilige Stad bestempeld als “arglistig en bedrieglijk”, “onzinnig vergrijp”. Dat de keizer op enkele punten de sultan tegemoet was gekomen, was de onbuigzame kerkvorst bovendien een doorn in het oog; hij vond dit getuigen van slaafse onderdanigheid naar moslims, de christenheid onwaardig. Patriarch Gerold had uitdrukkelijk verboden dat de geëxcommuniceerde keizer Jeruzalem zou betreden en dreigde met een interdict over de hele stad als de pelgrims samen met de gebande vorst de stad zouden binnentrekken. Hij wist zich hierin gesteund door paus Gregorius, van wie werd gezegd dat hij de brief van de keizer over het verdrag op de grond had geworpen en had bespuwd.

 

Desondanks ging Frederik die zaterdagochtend op pad, omringd door zijn Saraceense lijfwacht. Hij reed helemaal achteraan in de stoet, vergezeld door ridders van de Duitse Orde, in het gezelschap van Herman van Salza, Berard van Castacca en andere getrouwen. De Tempelridders en Johannieters vormden de voorhoede van het kruisvaartleger. Zij werden gevolgd door de ridders en huurlingen uit Engeland, Genua, Pisa en Venetië. Daarachter liepen duizenden pelgrims, die de weg zingend en biddend aflegden. Als enigen waren zij dolblij. Voor hen was het doel van de kruistocht bereikt: toegang tot de Grafkerk en alle andere heilige plaatsen.

 

Aangekomen bij Jeruzalem, werd Frederik opgewacht door de kadi van Nabloes, Sjams ad-Din (“zon van het geloof”), die hem namens de sultan de sleutels van de stad overhandigde. De sultan had hem opgedragen “de wensen van de lippen van de keizer af te lezen”. Dat was niet moeilijk: Frederik sprak vloeiend Arabisch, en gedroeg zich voorkomend tegen de kadi, in wiens huis hij te gast zou zijn.

In een naargeestige, bevreemdende sfeer trok de keizer vervolgens Jeruzalem binnen. Duitse pelgrims hadden weliswaar de straten en de kerken feestelijk versierd, maar de pleinen en de straten waren stil en uitgestorven. De kerkklokken zwegen vanwege de banvloek die nog op de keizer rustte. Uit beduchtheid voor de Frankische legers hadden de meeste moslims de stad verlaten. De christelijke en joodse inwoners van de stad bleven in hun huizen. Na veertig jaar in vrede onder de moslims te hebben geleefd, was het twijfelachtig of zij van de christelijke legers veel goeds te verwachten hadden.

Onder het zingen van hymnen en gezangen, trokken wijbisschoppen en priesters in processie door de stad om de Grafkerk, de Kerk van de Opstanding, en alle andere eerbiedwaardige kerken te reinigen. De wanden en de vloeren werden met wijwater besprenkeld om de ruimtes terug te winnen die door de ongelovigen waren ontheiligd. Maar missen werden niet gelezen: geen enkele priester durfde het aan een mis te lezen zolang de geëxcommuniceerde keizer binnen de muren van de stad verbleef.

Nog dezelfde dag bezocht Frederik de grote heiligdommen van de stad. In het gezelschap van de aartsbisschoppen van Palermo en Capua, bisschoppen uit Sicilië en Engeland, en omringd door verheugde Siciliaanse en Duitse pelgrims, ging hij eerst naar de Grafkerk om te bidden. Maar hij bezocht ook de Rotskoepel en de al-Aqsamoskee en gedroeg zich overal opvallend belangstellend en respectvol ten aanzien van de islam. Hij gaf er blijk van precies op de hoogte te zijn van islamitische gebruiken. Zo trok hij in de moskee als vanzelfsprekend zijn schoenen uit en waste zich de voeten.

Het is onduidelijk wat de historische betrouwbaarheid is van de verhalen die verteld worden om Frederiks respectvolle houding te illustreren. Bij binnenkomst in de al-Aqsamoskee zou hij een priester hebben uitgefoeterd die openlijk met een evangelieboek in de hand rondliep. Tijdens de rondleiding zou hij zich spottend hebben uitgelaten over het christendom. Bij de inscriptie dat Saladin de stad gereinigd had van “de polytheisten” had hij geveinsd niet te begrijpen dat hiermee (vanwege de Drie-Eenheid) de christenen werden bedoeld. Ook zou hij een opmerking hebben gemaakt over het traliehek boven de ingang. Op de verklaring dat dit diende om de spreeuwen buiten te houden, zou hij gereageerd hebben dat Allah nu “varkens” (d.w.z. christenen) naar de moskee had gebracht. Op de ochtend na zijn eerste nacht in Jeruzalem, zou Frederik aan de kadi gevraagd hebben waarom de muezzins niet hadden opgeroepen tot het gebed. Hij kreeg als antwoord dat de sultan dit had verboden voor de duur van het verblijf van de keizer. De keizer zou daarop het verbod hebben herroepen omdat hij niet wilde dat de Saracenen voor hem hun godsdienstige gebruiken zouden aanpassen. Hij zou gezegd hebben dat, als de Saracenen te gast waren in zijn rijk, hij het luiden van de kerkklokken ook niet zou verbieden: "Ik heb vooral de nacht in Jeruzalem doorgebracht om de muezzins de oproep tot het gebed te horen doen, en te horen hoe zij in de nacht God prijzen."

Volgens sommige verhalen zou Frederik zijn respect voor de islam wat teveel hebben aangezet. In plaats van waardering te oogsten voor zijn tolerantie, werd hij door Arabische kroniekschrijvers bekritiseerd omdat hij geen waardering toonde voor zijn eigen geloof. De moslims beschouwden Frederik niet als een ware christen omdat hij zou twijfelen aan de onsterfelijkheid van de ziel. Zij wisten niet goed wat te denken van deze man die hen zo overduidelijk welgezind was, en totaal afweek van het beeld dat men had van Frankische vorsten als onbeschaafde lieden zonder enige kennis van de islam of de islamitische cultuur. Enkele Arabische kroniekschrijvers lieten zich laatdunkend uit over de keizer. Eén van hen maakte een smalende opmerking over het weinig indrukwekkende fysieke voorkomen van de keizer. Met zijn rossige haar, zijn kalende hoofd en zwakke ogen “..zou hij als slaaf op een markt nog geen tweehonderd dirham hebben opgebracht.”